
Column Pieter van Heiningen: Thuis, fijn toch?
11 september 2025 om 14:30 ColumnDe vakantie was net voorbij. Ik zette mijn fiets tegen de gevel van café ‘De Schuimkraag’. Ik had een afspraak met een oud klasgenoot. Er scheurde een snelle bolide ronkend de parkeerplaats op. Het linkerportier zwaaide open. Een modieus geklede bestuurder stapte uit. Joviaal begroette Jan-Pieter Grootgoed mij.
“Moet je hem niet afsluiten?” vroeg ik, terwijl ik mijn fietssleuteltje diep weg stopte in mijn broekzak.
“Nee hoor”, antwoordde Jan-Pieter, “Hij is prima verzekerd door de zaak”.
We liepen het café in en vonden een tafeltje bij het raam.
Vele herinneringen werden opgediept uit een grijs verleden. Hij genoot van een dubbele whisky en ik van een 0.0. Ik moest nog fietsen.
Hij vroeg wat ik voor de kost deed en hoe ver ik het geschopt had. Ik vertelde hoe ik het van onderwijzer tot directeur had gebracht. Hij verslikte zich bijna in de whisky toen hij mijn salaris hoorde. Even was ik bang dat hij niet meer bij kwam. Nadat hij uitgelachen was, reageerde hij: “Tja, je was altijd al een hardwerkende idealist.”.
“Bij mij is het anders gegaan en na mijn debacle op de mulo heb ik overal gewerkt”.
“Via allerlei connecties lukte het om mij in de handel omhoog te werken”.
“Hier en daar had ik wat kruiwagens, maar het ging steeds beter in de business”.
Even stopte hij om de ober nog een rondje te laten brengen. Toen ging Grootgoed geanimeerd verder: “Tenslotte werd ik eigenaar van een groot adviesbureau en rook ik mijn kansen in de politiek en daar bleek heel wat te kunnen”.
“Met schuiven en lobbyen kon ik veel voor mezelf en vrienden bereiken en nu adviseer ik zelfs kamerleden over onderwijszaken.”
Even was ik oprecht stil. Toen vroeg ik hem: “Maar hoe gaat het verder met je?”
“Gewoon de dagelijkse huis-tuin-en-keukenzaken”, mompelde hij.
Enigszins ongemakkelijk antwoordde hij: “Niet optimaal, maar het kan niet allemaal koek-en-ei zijn, want mijn vrouw geeft meer uit dan ik inbreng, mijn kinderen zijn nogal opstandig en onze hond blaft en bijt naar iedereen”.
“Tja, het huwelijk is ook niet alles, vandaar dat we al enkele maanden apart leven.”
Nog even praatten we wat na. Tenslotte namen we afscheid van elkaar. Hij reed in zijn fel rode bolide naar zijn luxueuze, maar lege villa. Ik fietste naar mijn knusse huis: een echt thuis omdat ik het deel met anderen.













